De Eerste Kamer heeft de Wet rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief op 16 juni 2026 definitief aangenomen en zal naar verwachting ingaan per 31 december 2026. De Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst (Wira) moet meer duidelijkheid bieden over de arbeidsrelatie tussen opdrachtgevers en zelfstandigen.
Als deze wet in werking treedt, kan sneller worden aangenomen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst als het uurtarief onder een wettelijk vastgestelde grens ligt. Dit kan naast arbeidsrechtelijke gevolgen ook gevolgen hebben voor personeelsverzekeringen, pensioenregelingen, etc.
Wat houdt het rechtsvermoeden in?
De wet introduceert een rechtsvermoeden van werknemerschap voor werkenden die werkzaamheden verrichten tegen een uurtarief dat onder een wettelijk vastgestelde grens ligt. Volgens de parlementaire stukken bedraagt deze grens € 38,00 per uur (prijspeil 1 januari 2026).
€ 38,00 per uur of € 36,00 per uur?
Het verschil komt door de indexering. De wet noemt € 36,00, het prijspeil van 2025 bij indiening van het voorstel. Op basis van het minimumuurloon van € 14,71 per 1 januari 2026 komt het actuele tarief uit op € 37,07, afgerond € 38,00. Die afronding staat niet in de wet zelf, maar wordt vastgelegd in een ministeriële regeling, die er nog niet is.
Dat verschil is relevant: een zzp’er die € 37,00 per uur rekent, valt onder de grens. De feitelijke grens is dus € 38,00, maar dat bedrag staat niet in de aangenomen wet en wordt pas definitief met de ministeriële regeling.
Wanneer een werkende zich beroept op dit rechtsvermoeden, verschuift de bewijslast naar de opdrachtgever. De opdrachtgever zal dan moeten aantonen dat ondanks de feitelijke werkzaamheden géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan kan de werkrelatie juridisch als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt.
Waarom is de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst (Wira) ingevoerd?
Met de nieuwe regeling wil de wetgever kwetsbare zelfstandigen beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid. In de praktijk blijken met name lager betaalde zzp’ers soms werkzaam onder omstandigheden die sterk lijken op een reguliere arbeidsrelatie, terwijl zij niet beschikken over de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers. De wet moet het voor deze groep eenvoudiger maken om hun rechtspositie af te dwingen en tegelijkertijd een preventieve werking hebben richting opdrachtgevers.
Welke gevolgen kan dit betekenen voor een werkgever of opdrachtgever?
Indien een werkrelatie achteraf als arbeidsovereenkomst wordt gekwalificeerd, kunnen de gevolgen aanzienlijk zijn. Denk onder meer aan:
- Aanspraken op loondoorbetaling bij ziekte
- Toepassing van ontslagbescherming
- Mogelijke loonvorderingen
- Verplichtingen op het gebied van vakantiedagen en vakantiegeld
- Pensioenrechtelijke gevolgen
- Fiscale en sociale zekerheidsrechtelijke risico’s.
Het enkele feit dat partijen een overeenkomst van opdracht hebben gesloten, biedt daarbij geen garantie. Doorslaggevend blijft hoe partijen in de praktijk daadwerkelijk uitvoering geven aan de samenwerking.
Wat betekent dit voor uw werknemers- en personeelsverzekeringen?
Wanneer een zelfstandige achteraf als werknemer wordt aangemerkt, kan dit invloed hebben op verschillende verzekeringen binnen uw bedrijf of organisatie. Denk hierbij aan:
- Werknemersverzekeringen
- Verzuimverzekeringen
- WGA- en eigenrisicodragersverzekeringen
- Collectieve ongevallenverzekeringen
- Aansprakelijkheidsverzekeringen voor werkgevers
Het is belangrijk om na te gaan of alle personen die feitelijk werkzaamheden voor uw organisatie verrichten, onder de juiste dekking vallen. Een wijziging in de kwalificatie van de arbeidsrelatie kan namelijk leiden tot een andere verzekeringsplicht of een aanpassing van de polisvoorwaarden.
Voorkom verrassingen
De nieuwe wetgeving benadrukt het belang van een periodieke controle van uw personeelsbestand, contractvormen en verzekeringsportefeuille. Zo voorkomt u dat u bij een claim of controle wordt geconfronteerd met onverwachte risico’s of onvoldoende dekking(en).
Samenhang met de aanpak van schijnzelfstandigheid
De invoering van het rechtsvermoeden staat niet op zichzelf. Zij maakt onderdeel uit van een bredere kabinetsaanpak gericht op het terugdringen van schijnzelfstandigheid en het creëren van meer duidelijkheid over de kwalificatie van arbeidsrelaties. Ook de handhaving door de Belastingdienst op schijnzelfstandigheid heeft daarbij de afgelopen periode nadrukkelijk aandacht gekregen.
Voor organisaties die structureel gebruikmaken van zelfstandigen betekent dit dat een zorgvuldige beoordeling van bestaande en nieuwe opdrachten steeds belangrijker wordt.
Wat kunt u nu doen?
Wij adviseren werkgevers en opdrachtgevers om de volgende onderwerpen tijdig te beoordelen:
- Welke zelfstandigen zijn binnen uw bedrijf of organisatie werkzaam?
- Tegen welk uurtarief verrichten zij werkzaamheden?
- Hoe is de samenwerking feitelijk ingericht?
- In hoeverre is er sprake van gezag, organisatorische inbedding en ondernemerschap?
- Welke risico’s bestaan indien een beroep op het rechtsvermoeden wordt gedaan?
Een preventieve toetsing kan kostbare procedures en onverwachte financiële gevolgen voorkomen.
Meer weten over de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst en de gevolgen voor uw werknemers- en personeelsverzekeringen?
Wilt u weten welke gevolgen de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst heeft voor uw bedrijf en uw werknemers- en personeelsverzekeringen? Neem dan contact op met Klijn/Zijlmans & Partners en bel 075-653 95 20 of mail naar bedrijven@kzp.nl.
De adviseurs van Klijn/Zijlmans & Partners beoordelen graag samen met u of uw verzekeringspakket nog aansluit bij uw actuele personeelsbestand en de veranderende wet- en regelgeving.
Klijn/Zijlmans & Partners helpt u graag met onafhankelijk advies, deskundige bemiddeling, professioneel polisbeheer en schade-afwikkeling.
Algemene informatie
Dit artikel geeft een algemene toelichting op de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. De toepassing van de wet is afhankelijk van specifieke feiten en omstandigheden.
Bronnen: 1e kamer, Staatscourant.
